 |
 |
 |

Fragment uit Het recht op terugkeer |
| | Nadat hij zijn ambulancedienst had gedraaid, was Bram Mannheim tot halfdrie ’s nachts in de kantine blijven hangen. Hij had onder het tl-licht met de jongens van de nachtploeg koffie gedronken en daarna zoute koekjes gegeten en die met wodka overgoten. Tien keer waren ze er gisteravond op uit getrokken in het centrale district. Vier auto-ongelukken, twee vergiftigingen, een suïcide, drie ongevallen met bejaarden. Bram had twee keer gereden. Om halfzeven ’s ochtends likte Hendrikus zijn handen, zoals anders. Bram was op de bank in slaap gevallen. Terwijl het hondje geduldig wachtte, trok Bram een korte sportbroek en een T-shirt aan. Hij griste zijn mobieltje van tafel en hield Hendrikus in zijn armen toen hij op plastic slippers via de betonnen trap de vijf verdiepingen naar beneden slofte. Binnen een halfuur zou Tel Aviv ontwaken en zich uitleveren aan de zorgen van alledag, maar nu lagen de stoffige straten nog stil onder de ochtendhemel, een heldere dag met een paarsrode zonsopgang. Het rook zowel naar zee als stad, naar iets wat vandaag in alle onschuld en prilheid begon maar ook naar iets bestendigs wat al duizenden jaren kenmerkend was voor dit deel van de wereld: de geur van verrotting en ondergang. Hendrikus, de oude man, nam de tijd voor zijn wandeling. Hij hoefde niet meer overal zijn geur achter te laten en sproeide op het verste punt van de tocht zijn urine in een speciaal hondenurinoir dat lang geleden met Amerikaans sponsorgeld was aangelegd in een poging deze van oorsprong Duitse immigrantenbuurt met de oriëntaalse Bauhaus-architectuur voor de eeuwigheid van hondenpis te vrijwaren – er waren tijden geweest dat voor zoiets commissies in het leven werden geroepen. Maar tegenwoordig was water te kostbaar om er hondenpis mee weg te spoelen, en in een straal van vijf meter rond het urinoir was de stank ondraaglijk. Hendrikus had er geen last van. Bram bleef op afstand staan en bewonderde het doorzettingsvermogen van het pezige beest. Hendrikus was hardhorend en na een aanval van een verongelijkte bouvier zes jaar geleden aan één oog blind. Volgens de dierenarts was Hendrikus een van de vijf oudste honden van de stad – Jeffrey was de oudste, een krasse zesentwintigjarige kruising tussen een herder en bullterriër, een ongewoon exemplaar aangezien middelgrote honden meestal jonger stierven dan kleine bastaarden als Hendrikus. Elke ochtend legde Hendrikus een vaste tocht af langs de stille monumenten van Duitse zakelijkheid. Het dier volgde de lijn van een rechthoek waarin zich zes woonblokken bevonden, zijn eigen patroon, snuffelend aan lantaarnpalen, de wielen van afvalcontainers, autobanden, strategisch geplaatste struiken, zo nu en dan een andere ochtendhond. Bram had de indruk dat er tien jaar geleden veel meer honden waren. Tel Aviv was een arme stad geworden waarin honden alleen gehouden werden door het handjevol rijken dat de stad nog telde. Dus waren de honden die zij onderweg tegenkwamen op leeftijd, net als Hendrikus, bezadigd en moe geblaft. Jonge hondjes waren een zeldzaamheid en de oude werden door liefhebbende bejaarden gekoesterd alsof ze hun eigen kinderen waren. Ze stonden op de hoek van een straat die haaks op de strandboulevard lag. Aan het einde van de straat, tweehonderd meter verder in de smalle opening tussen de huizen, was een fractie van een seconde een gevechtshelikopter zichtbaar die geruisloos enkele meters boven het zand naar het zuiden schoot, richting Jaffa. Het was een nieuwe generatie met motoren die niet veel meer geluid maakten dan de vleugels van een roofvogel, de Taiwanezen hadden er twintig geleverd. Dragon Wings xr3, heetten ze, en de gelovigen hadden geëist dat ze werden omgedoopt omdat de draak een monster uit een onjoodse Aziatische mythologie was. In de volksmond heetten ze nu Chicken Wings. Brams mobieltje klonk. Het was een antiek blokje, dertien jaar oud, zonder de laatste gadgets. Op het display verscheen Ikki’s naam. Samen met Ikki Peisman dreef Bram De Bank, een bureautje dat verdwenen kinderen opspoorde. Ze hielden samen kantoor in een leeg bankgebouw, vandaar de naam. Ikki was vierentwintig en toegerust met een kunstbeen en kunstarm, zijn hele linkerkant was mechanisch en elektronisch. De helft van Ikki’s lijf was bij een explosie vernietigd maar in Israëlische ziekenhuizen was het vermogen om te reconstrueren na decennia van terreur het hoogste in de wereld. Op hersenen na konden zo ongeveer elk orgaan en lichaamsdeel vervangen worden. Bram zei: ‘Ikki?’ ‘Ja, met mij. Bram! Het schijnt dat kleine Sara nog leeft.’ In hun bestand bevonden zich twee Sara’s. De oudere Sara was op haar dertiende verdwenen, nog maar drie maanden geleden. De jongste was drie jaar geleden vermist, toen ze vijf was. ‘Betrouwbare tip?’ Ikki antwoordde: ‘Ik denk het wel. Zou wel een wonder zijn na al die tijd.’ Boven zich voelde Bram iets veranderen, alsof de lucht werd afgedekt. Hendrikus hief zijn kop en keek omhoog. Ook Bram keek op. Het was een Chicken Wing, tien meter boven de daken, een stil, zwart insect dat zijn ogen op hem gericht hield. Dat ene moment dat hij zijn gezicht liet zien was voor de bemanning voldoende om zijn identiteit te achterhalen. De vorm en lijnen van zijn gezicht werden via een gezichtsherkenningsprogramma in een databank gevonden, wat nauwelijks langer duurde dan een seconde: razendsnel schoot de info via een satelliet naar de bunker ten noorden van de stad waar de computers zoemden. Het ding wendde zich al af omdat de twee bemanningsleden op het virtuele scherm in hun helm Brams onschuldige personalia hadden gelezen. De heli verdween achter de gebouwen en het enige wat klonk was een fluistering in het gebladerte van de bomen en een zachte werveling in het stof op straat. ‘Dat is mooi nieuws,’ antwoordde Bram, nietig onder de lucht. ‘Heeft Samir jou getipt?’ ‘Zijn neef. Noemt zich Johnny.’ ‘Mooie Arabische naam,’ zei Bram. ‘Wat heb je hem beloofd?’ ‘Vijfentwintigduizend.’ ‘Da’s veel, Ikki.’ ‘Vind ik ook. Misschien moeten we met een rel dreigen. Dit zijn geen bedragen meer.’ Bram antwoordde: ‘Een rel? Waar denk je dat je leeft? Zweden? Ken je Johnny goed?’ ‘Ik word gek van de pers,’ zei Ikki. ‘Ik lees geen kranten meer. Ik heb er geen zin meer in om alleen maar te lezen dat we met de Palestijnen moeten praten.’ ‘We moeten blijven praten, we kunnen ze moeilijk allemaal de hersens inslaan’ zei Bram. ‘Ken je die Johnny?’ ‘Nee. Maar Samir is betrouwbaar. Hij heeft die Johnny naar mij toe gestuurd. Hij is een neef van Samir.’ ‘Het zijn allemaal neven daar,’ zei Bram. ‘Ja, het is één grote fucking family. Maar als het moet slaan ze mekaars koppen in,’ zei Ikki. ‘Net als wij,’ concludeerde Bram. ‘Maar er is een probleempje,’ zei Ikki. Bram knikte gelaten, ook al kon Ikki hem niet zien. Ofschoon de Chicken Wing was verdwenen, bleef Bram het gevoel houden dat hij werd gadegeslagen. Bram zei: ‘Probleempje – ik had niks anders verwacht.’ Ikki aarzelde een moment, zei toen zacht: ‘Ze is aan de andere kant.’ |
|
|
|
 |
|